|
TORENUURWERK |
|
Historie Torenuurwerk Nederlands Hervormde Kerk Oudesluis Door W. Houtkoper Oudesluis is een zeer klein dorp in de kop van Noord Holland, gelegen aan een kruising van ringvaarten en afwateringssloten. Dat is geen wonder want het dorp ligt op het raakvlak van drie polders. Namelijk aan de noordoostelijke dijk van de Zijpe (1598) ligt de Anna Paulownapolder, aan de westdijk van de Wieringerwaard ( 1611) en ten oosten van de polder Koegras. In de dorpen van deze polders bouwde Waterstaat sobere Hervormde kerken van steeds hetzelfde model, zoals in Burgerbrug, Sint Maartensbrug (1696), Schagerbrug. Voor de geestelijke verzorging van degenen die werkten aan de drooglegging van de polders. Voor deze kerken kregen diverse leveranciers van torenuurwerken een opdracht, zoals L.W.F. Völcke uit Den Haag in Burgerbrug, D. Batstra uit Leiden in Sint Maartensbrug en hier in Oudesluis A.H. van Bergen uit Heiligerlee. Tenminste, dat staat op de slingerlens. In wezen moet het een geïmporteerd uurwerk zijn. Gezien het feit dat begin 1800 de Duitse industriële bouw van torenuurwerken nog moest beginnen, lijkt het aannemelijk dat het hier een Engels torenuurwerk betreft. Allert Noorman vergelijkt de bouw ervan met die van de stoommachines uit die tijd en daar lijkt het sterk op met zijn onderdelen van messing gietwerk en gesmede en gevijlde onderdelen. Zie ook de bijzonder leuke startlichter. Hier heeft de maker er in een bui van joligheid er de vorm van een slang aan gegeven. Aan het einde bij het slagwerk zijn oogjes en een bek gegraveerd. Ook het houtwerk is werkelijk fraai. De beun heeft mooie roodgeverfde kraalranden, op de slingersteel zijn rond het gat waar de opwindas doorheen gaat twee roodgemaakte hartjes uitgesneden. Eigenlijk is dit uurwerk voor de liefhebber een “schatje” om te zien. Het slagwerk slaat zijn 90 slagen in twaalf uur met identieke slaghefbomen en hamers op dezelfde klok. Zo konden er om en om meer slagnokken op het zelfde grondrad gezet worden.Waardoor er minder omwentelingen hiervan nodig waren en er gangduur werd gewonnen. De sluitschijf is een messing schijf, aangedreven door een pennenrondsel. De windvleugel is verticaal met een versnellende haakse tandwiel overbrenging. Het eerste dat je opvalt als je de kerk binnenkomt is dat de gewichten van het uurwerk gewoon tot in de hal zakken zonder valkist eronder. Als ze opgetrokken zijn, vormen zij helemaal een groot gevaar voor degenen die er onderdoor lopen. En dan stond er voorheen ook nog een stapel bakstenen op de gewichten, de grootste stapel op die van het gaande werk. Dit is een onhoudbare, gevaarlijke situatie, die verbeterd dient te worden. De gangduur van dit uurwerk zal nooit de zeven dagen kunnen halen. De wals diameter is 140 mm. Hierbij moeten wij éénmaal de staaldraaddikte van 6 mm. Bijtellen om aan de juiste werkende diameter van de wals te komen. Per omwenteling komt er p x d = 3,14 x 146 mm = 458,5 mm staaldraad op de wals of van de wals af. De wals draait eens in de twee uur rond, dus in de 168 uren van de week zijn er 168 : 2 = 84 omwentelingen. Dit getal maal de afgiftelengte van het staaldraad per uur geeft 84 x 458,5 = 38514 mm. Deze ruim 38 meter hangt aan een drieloper, dus de 38 meter gedeeld door 3 maakt een valhoogte van 12,84 meter nodig. De beschikbare hoogte is 11 meter, dus de 168 uur wordt nooit gehaald. Daarbij is nog niet eens gerekend dat meestal met een gangduur van 8 dagen wordt gerekend. Soms wordt genoegen genomen met een overschot aan gangduur van minimaal met 6 uur om het opwindtijdstip niet al te kritisch te laten zijn. Een automatisch opwindwerk zal aan de problemen een einde maken. Het opwinden moest terzake kundig gebeuren, wat natuurlijk niet altijd zo gedaan werd. Want bij een bepaald aantal slagen moest je met een houtje de staaldraad dwingen om de tweede laag te gaan wikkelen. Zelfs dat was niet genoeg, want er was ook nog een derde laag nodig. Zoiets gaat vanzelfsprekend nooit goed, want de staaldraad van de tweede of derde laag zakt door de kracht van het gewicht tussen de onder liggende wikkelingen, loopt daardoor klem en het uurwerk stopt door gebrek aan drijfkracht. Maar kom, de niet werkende remedie werd gevonden in het stapelen van de bakstenen. Ondanks dat geprobeerd was om voor de gangduur van 7 dagen 178 slagen staaldraad op de wals te proppen, zat er ook nog te veel staaldraad op de wals, zelfs als het gewicht in zijn onderste stand hing. Noorman heeft vele meters van de staaldraad doorgetrokken om hier vanaf te zijn en windt nu het alweer goed lopende uurwerk twee keer per week op. De katrollen direct na de wals zaten op de verkeerde plaats om de staaldraad goed toe te voeren, wat inmiddels provisorisch in orde is gemaakt. Er konden echter nog 6 bakstenen meer van het gewicht afgehaald worden. Dat het uurwerk bij het opwinden al een paar keer van zijn beun was getrokken was al niet bijzonder meer. Maar op een gegeven moment slaagde men er in, hoe is niet bekend, om de gesmede spiraalveer van de tegenpalling volkomen om de grondas te draaien. (inmiddels gerepareerd.) Daardoor verschoof het grondrad zijdelings op zijn as tot zijn velg tegen het tussenrad liep. De pal van de tegenpalling kon niet meer werken omdat hij naast de tegenpallingschijf viel. In plaats van de oorzaak te repareren, werden er dus weer meer bakstenen op het gewicht gelegd om het tegen het tussenrad wrijvende grondrad toch te dwingen om te draaien en werd er een eigengemaakte pal-inrichting aangebracht. Het spijt ons dat zo’n aardig torenuurwerk zo’n zuur verhaal oplevert. Maar wat de Stichting Torenuurwerk destijds aan ergernissen en knoeierijen ontdekte, is te groot om onder het mom van ‘vrijwilligerswerk’ te vergoelijken. |
|